Geschiedenis van de Psychologie (deel 1): de Psyche in de Klassieke Oudheid
Sinds het ontstaan van de psychologie als academische discipline zijn er verschillende methodes en filosofische onderzoekskaders ontwikkeld om mentale processen te bestuderen. Hier volgt een overzicht van enkele belangrijke filosofische stromingen binnen de psychologie.
1. Wat is psychologie?

Psychologie is een academische discipline die zich bezighoudt met de studie van de mentale wereld van de mens. Het tracht mentale processen zoals denken, voelen en ervaren te begrijpen en probeert op die manier inzicht te krijgen in menselijk gedrag. Psychologie is pas aan het einde van de 19e eeuw een wetenschappelijke discipline geworden. Het is een wetenschap in de brede zin van het woord, namelijk een vakgebied dat wordt onderwezen aan universiteiten en waar op gestructureerde manier onderzoek binnen wordt gedaan. Maar lang niet alle takken van de psychologie voldoen aan de strengere criteria van wetenschappelijkheid zoals die binnen de natuurwetenschappen gelden. Met de opkomst van de neurobiologie en de cognitieve wetenschappen zijn er tegenwoordig betere manieren voorhanden om de mentale wereld van de mens te bestuderen, namelijk door ons brein te bestuderen. Steeds meer biologen en ook andere stervelingen raken ervan overtuigd dat de oplossing om de menselijke psyche te begrijpen, gezocht dient te worden in het brein. Die visie bij het grote publiek ingang te laten vinden, is een moeilijke taak aangezien het geloof in een ziel nog erg sterk in heel wat cultureel gedachtengoed vervlochten zit.

2. Psychologie bij de Grieken

Onze westerse ideeën over menselijk bewustzijn en gedrag gaan terug op denkwerk van de klassieke Grieken. Het dualistische idee waarbij lichaam en ziel tot twee verschillende werkelijkheden worden beschouwd, vinden we zowel bij Plato als Aristoteles terug en vond via de moderne filosoof René Descartes verder ingang tot het Europese gedachtegoed.

2.1 Plato

Plato (428-348 v.C.) leefde in Athene en stichtte daar in 387 v.C. zijn Academie, het eerste leerinstituut in de westerse samenleving.

We kennen Plato voornamelijk van zijn Vormenleer. Plato ontwikkelde zijn Vormenleer naar aanleiding van de meetkunde die in de 6e eeuw v.C. tot bloei kwam in de Griekse samenleving dankzij denkers als Thales van Milete en Pythagoras.

Plato’s denken is geïnspireerd op dit vroege wiskundige denken. Hij merkte op dat men in de meetkunde niet zozeer getekende voorbeelden van figuren bestudeert en beschrijft maar volmaakte, mentale vormen. In de meetkunde gaat het niet om de eigenschappen van een specifieke, getekende cirkel of driehoek maar om de eigenschappen van de volmaakte vormen: de cirkel, de driehoek, het vierkant, de kubus. Als volmaakt mentaal concept.

Hij vond het voor de hand liggend dat de vormen die we bestuderen, bestaan. Meer Griekse denkers vonden het trouwens vanzelfsprekend dat wanneer we ergens een woord voor hadden, het automatisch moest bestaan. Hij kende daardoor ook een bestaan toe aan de volmaakte vormen die we in de wiskunde beschrijven en definiëren.

Dat Plato’s Vormenleer ook wel bekend staat als Ideeënleer berust overigens op een misleidende vertaling van de Griekse woorden idea en eidos, wat vorm betekent. Plato heeft het dus over vormen die ergens in een voor ons niet waarneembare wereld objectief bestaan. Als uitbreiding op deze redenering kun je ook voor andere dingen die we kunnen waarnemen zoals honden, stoelen, bloemen, veronderstellen dat wanneer we het ding beschrijven en definiëren in taal, we de eigenschappen die we aan die dingen toekennen, eigenlijk baseren op volmaakte, perfecte ideas: de hond, de stoel, de bloem. In het platonisme gaat men er dan van uit dat die volmaakte concepten niet alleen een mentale constructie zijn, maar ook echt bestaan in een wereld die enkel voor onze geest en niet voor de rest van ons lichaam toegankelijk is.

Vandaar Plato’s dualistische wereldbeeld. Ons lichaam maakt volgens Plato deel uit van de waarneembare werkelijkheid. Het aardse. Maar onze ziel, nous in het Grieks, zou volgens Plato deel uitmaken van de volmaakte Vormenwereld waar ook perfecte, goddelijke wiskundige concepten als cirkels en driehoeken in bestaan.

De goddelijke ziel van de mens zou dan tijdelijk in zijn aardse lichaam verblijven en na de dood van dat lichaam terugkeren naar de volmaakte vormenwereld waar het voor eeuwig met cirkels en kubussen rond kan spelen.

Zintuiglijke gegevens waren volgens Plato afspiegelingen van de Vormen. Die afspiegelingen wekten een anamnesis of herinnering op aan de volmaakte vormen in de Vormenwereld en het vermogen van onze ziel of psyche tijdens het leven om ons die afspiegelingen vaag te herinneren, stelt ons in staat om aan wiskunde te doen, om goed van slecht te onderscheiden, en om orde te zien in wat in de werkelijkheid bestaat. Die ordening werd dan omgezet in taal en omdat we het ons vaag herinneren doen we soms wel eens goed of rechtvaardig maar niet altijd.

Plato’s idee van een eeuwige, onsterfelijke ziel werd dankbaar overgenomen door de Kerkvaders die het filosofische platonisme konden verzoenen met het christelijke idee van een eeuwig leven. Het is ook onder invloed van het christelijke denken dat het concept ziel zijn intrede deed in ons denken en in onze taal.

2.2 Aristoteles

Aristoteles (384-322 v.C.) studeerde aan Plato’s Academie en is daardoor uiteraard door Plato’s denken beïnvloed, maar hij zette zich op verschillende vlakken tegen zijn leermeester af. Het denken van Aristoteles heeft een immense invloed gehad op het Europese/westerse denken doordat hij zijn gedachtegoed zo geweldig goed heeft gestructureerd. Plato’s gedachten leren we voornamelijk kennen via filosofische gesprekken of dialogen. Aristoteles daarentegen maakte cursussen en leerboeken en hij heeft zijn kennis op zo’n samenhangende manier op schrift gesteld dat zijn kennis in zijn geheel in het scholastieke onderwijs van de Middeleeuwen is overgenomen, en het verdomd moeilijk was voor de vroegmoderne mens om veranderingen aan te brengen in het aristotelische wereldbeeld dat daarin beschreven stond.

Aristoteles aanvaardde Plato’s idee van vormen als basis voor onze kennis, maar hij vond het een onzinnige aanname dat die vormen een afzonderlijk bestaan zouden leiden in een aparte Vormenwereld. Volgens Aristoteles hebben we voldoende aan onze empeiria, onze waarneming, om de werkelijkheid te leren kennen. De waarneembare werkelijkheid is volgens Aristoteles de enige die er bestaat en die kunnen we leren kennen door middel van levenservaring. We hebben volgens Aristoteles dus geen vage herinneringen aan absolute waarheden en idea maar nemen kennis van de werkelijkheid door middel van ervaring. Door honderden getekende cirkels te zien, vormen we ons een beeld van een volmaakte cirkel. Door honderd honden te zien, vormen we ons een beeld van het concept hond.

Het platonische denken gaat er net als het pythagoreïsche denken van uit dat het universum een wiskundige structuur heeft en dat we die structuur kunnen achterhalen door er de wiskundige methode op toe te passen.

Aristoteles verwerpt het idee van een volmaakte door wiskunde te kennen Vormenwereld. Hij stelt dat alleen de waarneembare wereld bestaat. Wiskunde vormt voor hem daardoor niet langer de absolute manier om kennis te verwerven en door te geven. De wiskundige methode van bewijsvoering is voor Aristoteles onvoldoende om tot ware uitspraken over de werkelijkheid te bekomen. Hij werkt daarom een nieuwe denkmethode uit. Die van de logica \o/

Binnen de logica is niet zozeer wat we denken van belang maar hoe we denken. De manier waarop we onze gedachten ordenen, hoe we argumenten gebruiken om tot conclusies te komen, wordt doorslaggevend bij het achterhalen of wat we denken goede kennis is of niet.  

Het werk van Aristoteles staat aan de basis van zowel de formele als de informele logica. Over logica zullen we het uitgebreider hebben in een ander lessenpakket. Voorlopig is het voldoende om te weten dat logica de studie is van de interne samenhang van dingen. Irving Copi (1917-2002) definieert logica in zijn Introducción a la lógica als de studie van de methoden die gebruikt worden om correct van incorrect redeneren te onderscheiden. Volgens de definitie van Aristoteles is logica het onderzoek naar het ontstaan van redeneringen, hun ontdekking en hun validatie.

Denken gebeurt aan de hand van begrippen. Er wordt in de aristoteliaanse logica veel aandacht besteed aan het zo ondubbelzinnig mogelijk definiëren van begrippen in taal. Met die begrippen vormen we oordelen. Oordelen zijn uitspraken waarin een predikaat iets zegt over een onderwerp.

Bijvoorbeeld:

De lucht is blauw.

Oordelen kunnen op hun beurt verbonden worden tot redeneringen of deducties waaruit een bepaalde conclusie of premisse volgt. De taalconstructie die op deze manier ontstaat, noemen we een gevolgtrekking of argument.

Een bekend voorbeeld van zo’n gevolgtrekking is het syllogisme. Een syllogisme bestaat uit drie delen. De algemene stelling of maior (1), de bijzondere stelling of minor (2) en de conclusie (3).

Bijvoorbeeld:

  1. Alle mensen zijn sterfelijk.
  2. Socrates is een mens.
  3. Socrates is sterfelijk.

Gevolgtrekkingen kan men samenvoegen tot bewijzen. Logische bewijzen ontstaan door het op een correcte manier afleiden van de ene stelling uit de andere. Logische afleidingen steunen op axioma’s. Dat zijn basisstellingen die niet voor bewijs vatbaar zijn.

Aristoteles zag in dat men door het afleiden van conclusies uit axioma’s en premisses niet tot volmaakte kennis over de wereld kon komen. Hij stelde daarom dat inductie noodzakelijk is. Inductie is het op basis van bijzondere ervaring komen tot algemenere conclusies en die als algemene waarheid of axioma te poneren.

Op basis van de aristoteliaanse methode van kennisverwerving, namelijk het bestuderen van de werkelijkheid op basis van empeiria of ervaring, maakte Aristoteles een ordening in taal van wat bestond. Hij ordende de werkelijkheid door wat hij waarnam zorgvuldig te definiëren in taal. Vervolgens gebruikte hij argumenten om zijn ideeën over de werkelijkheid te staven. Zijn vorm van kennis bestond uit het definiëren en benoemen van dingen en verklaringen te zoeken voor die dingen door hun functie te achterhalen.

2.2.1 Aristoteles als psycholoog

In zijn werk “De anima” gaat Aristoteles op basis van zijn argumentatiemethode op zoek naar de functies van de ziel. Hij ziet de ziel of bezield zijn als de bepalende factor die levende wezens levend maakt.

Hij deelt de ziel op in verschillende delen:

  1. Het voedende deel van de ziel, aanwezig bij planten
  2. Het  waarnemende deel van de ziel, bij dieren aanwezig
  3. Het rationele deel van de ziel, enkel bij mensen aanwezig
De voedende of vegetatieve ziel

Planten beschikken volgens Aristoteles over het voedende of vegetatieve deel van de ziel. Dit deel van de ziel zou verantwoordelijk zijn voor voeding, groei en voortplanting. Bij mensen zou dit deel van de ziel grotere activiteit vertonen dan de andere delen van de ziel tijdens de slaap.

“Dat slaap bij alle dieren voorkomt blijkt ook uit het volgende. Levende wezens worden gedefinieerd door het feit dat ze beschikken over zintuiglijke waarneming, en we beweren dat de slaap een bepaald soort onbeweeglijkheid en als het ware een toestand van gebondenheid van het waarnemingsvermogen is, terwijl waken de ongebondenheid en ontspanning ervan is. Geen van beide toestanden komen voor bij planten, want slapen en waken komen niet voor bij wezens zonder waarnemingsvermogen; wie waarneming bezit, kent ook verdriet en vreugde, en wie deze ervaring kent, kent ook begeerte. Maar geen van deze dingen komen voor bij planten. Een aanwijzing hiervoor is ook dat het voedende deel van de ziel in de slaap een grotere mate van activiteit vertoont dan in de waaktoestand: levende wezens nemen meer voedsel op en groeien sneller in de slaap, wat erop wijst dat ze daarvoor geen waarneming nodig hebben.” (Aristoteles, Over het geheugen, de slaap en de droom, 454 b 26 - 455 a 4)

De sensitieve of waarnemende ziel

Het waarnemende deel van de ziel komt niet bij planten maar wel bij dieren en mensen voor. Aristoteles kende heel wat van onze cognitieve functies toe aan het waarnemende deel van de ziel. Zo zag hij de werking van de zintuigen, net als de controle daarover door het ‘centrale’ zintuig, ons voorstellingsvermogen, werking van geheugen, vermogen tot slaap en dromen, het hebben van verlangens, van genoegens en pijn voor als functies van de waarnemende ziel. Aristoteles stelde dat het hebben van die waarnemende ziel organismen drijft tot voortbewegen of handelen. Bij Aristoteles is dit teleologisch gemotiveerd door voorstellingen van objecten die men wil najagen of vermijden. (Aristoteles, Over dieren, p. 161-177.)

De denkende of rationele ziel

Het denkende, rationele of intellectuele deel van de ziel is volgens Aristoteles voorbehouden voor de mens en stelt de mens als enige onder de levende wezens in staat tot praktisch en theoretisch nadenken.

 

Bronvermelding

  • Aristoteles, vertaald door: Philip Van Der Eijk (2012), Over het geheugen, de slaap en de droom, Groningen: Historische Uitgeverij. 
  • Fancher, R. & Rutherford, A. (2012), Pioneers of Psychology, New York: W.W. Norton & Company.
  • Vermeersch, E. & Braeckman J. (2008), De rivier van Herakleitos, Antwerpen: Uitgeverij Houtekiet.